Luisterversie
Toelichting
Deze psalm roept dierbare herinneringen op aan mijn kleutertijd. De juf leerde ons psalm 33 vers 9 (berijming 1773) met de regels: “Het briesend paard moet eindlijk sneven / Hoe snel het draav’ in ‘t oorlogsveld…” En wat verderop: “Neen, de HEER der Heeren / doet ons triumferen…” enz. De woorden “sneven” en “triumferen” gingen mijn prille begrip ver te boven en daarom zong ik vol overtuiging en overgave: “Het briesend paard moet eindlijk sneeuwen”… en “Neen, de HEER der Heren doet ons drie ons veren…”.
Citer (cuplet1)
Schönfeld-Wichers noteert hier “sieter”. Zijn spelling is sterk fonologisch van aard (klanken schrijven zoals je ze hoort). Om mogelijke verwarring te voorkomen wijk ik er soms bewust vanaf en schrijf gewoon citer.
Dùssen (couplet 7) betekent hier “dorsten” (sterk verlangen naar). Het – enigszins gedateerde – werkwoord “dorsten” kwam ik in geen enkel (Twents) woordenboek tegen. Wel vond ik op mijn computerprogramma het Twentse werkwoord “verdörsten”, in Rijssense spelling als “vedùssen” geschreven en dat de betekenis heeft “van dorst omkomen”. Vandaar de vrijheid die ik neem om het werkwoord “dùssen” te gebruiken, mits mij niet vanuit Rijssen een onverbiddelijk “Halt” toegeroepen wordt… (“dùssen” moet niet verward worden met “dùsken”. Dit laatste betekent “dorsen” (van koren)).
In couplet 7 is sprake van onzuiver rijm, hoewel dat qua schrijfwijze niet opvalt. Het gaat om de woorden “deent” en “veent” (dient en vindt). De ee-klank wordt uitgesproken als een langgerekte “i” (ii). Zoiets als: diint en viint. Maar: bij “deent” wordt de “n” duidelijk uitgesproken (diint), bij “veent” vervalt de “n” (viit). Omdat het hier om gezongen taal gaat meen ik dat het verantwoord is om bij “veent” de “n” toch zachtjes te laten horen omdat dit mooier klinkt. Ik heb al vaker opgemerkt dat gezongen taal z’n eigen regels kent en ik neem de vrijheid om die hier toe te passen.
.
.