Psalm 29

1.
Priest de HEARE, groot in krach;
Um de glorie, ear’ en mach.
Heemelmachen, zùns van god,
priest de HEARE ieder bod.
Priest de HEARE, tong en taale,
buungt oe vuur de HEARE daale.
Brengt in t haejleg Hof de HEARE,
an Zinn Naam, de lof en eare!
2.
Groote waatern, vol oontzag:
huer de HEARE spràkn met mach.
Huer de HEARE, want Zinn moond
doondert boawn de waatervlood.
Joa de HEARE spràk met eare;
vol van glorie is de HEARE.
Hee, de HEARE van de volken
spràk tot oons in weend en wolken.
3.
Ceeders krommt zik op Zin spràkn,
Hee dut ceederbueme bràkn:
Libanon mut skuddn en beewn,
an de HEARE eare geewn.
Libanon en Sirjon baejde
springt as kieskes in de waejde.
Ook goat Sirjons staele tùppe
weeld as ossens op de lùppe.
4.
Huer de HEARE, in nen zoch
skuurt in vuer en vlamn de loch,
hebt de deers met skrik en beewn
in de nood niej leawn egeewn.
Kadesj fiddert van de druegte.
Huer de HEARE, oet de huegte
raakt Hee met Zinn oam de strueme,
ropt de bàste van de bueme.
5.
Hee is HEARE, want Hee woont
as nen Koonek boawn de vlood.
Hee is HEARE, heemelwied
troont de HEARE vuur aaltied.
Hee, de HEARE van de machen
gef Zin volk wier vrea en krachen.
Joa, vanoet de heemelzaale
kuemp de HEARE tot oons daale.

Luisterversie

Toelichting

18x wordt de naam “HEARE” genoemd in deze psalm en 7x de stem (of het spreken) van de HEERE. Er wordt wel een verband gelegd met de 7 donderslagen uit het boek Openbaringen, maar ook met de 7 scheppingswoorden.

Het benadrukken van de naam “HEARE” kan te maken hebben met het “apologetische” karakter van deze psalm; de psalm spreekt zich uit tégen de afgoden van de omringende volkeren. Mogelijk was het een reactie op een heidens hymne, las ik ergens. In heidense religies wordt de natuur verafgood, er worden goddelijke krachten aan toe geschreven. In deze psalm wordt de natuur “ontgoddelijkt”. Wel horen wij in de natuur (de donderslagen) de stem van God, maar God zelf, JAHWEH, staat daar oneindig ver boven, is de Schepper ervan. Wij aanbidden geen natuurverschijnselen, maar aanbidden God Zelf.
Deze God, JAHWEH, is voor de heidenen een verschrikkelijke God die angst en ontzetting veroorzaakt. Voor Zijn volk is Hij een God Die te vrezen is met ontzag, maar voor Wie we geen angst koesteren. Bij hem mogen we ons veilig weten, juist vanwege zijn ontzagwekkende kracht en vermogen. Hij is voor ons de God die zegent en vrede geeft, bij Wie we mogen schuilen.

Het was de uitdaging van deze psalm om de naam van “HEARE” ook 18x weer te geven. Het is niet altijd gelukt om dat consequent te doen op de plaatsen waar dat in de onberijmde psalm ook gebeurt. De vele beperkingen wat betreft lengte van versregels, ritme en rijm noodzaken soms tot aanpassingen, ook om te voorkomen dat de psalm te gekunsteld overkomt. Of het getal 18 ook een symbolische waarde heeft heb ik tot nu toe nog niet kunnen ontdekken.
Daarnaast is ook 7x het “spreken” van de HEERE in deze psalm weergegeven, als “Huer, de HEARE…” (Hoor, de HEERE…”) en met het woord “spràkn” (spreken).

De stem van de HEARE doet de hinden jongen werpen.
Sommige Bijbelvertalingen geven dit vers als volgt weer: Hij schudt eiken aan waterstromen (Hee skudt eekn an waaterstrueme). Andere vertalingen (zoals de (Herziene) Statenvertaling) vertalen hier: de stem van de HEARE doet de hinden jongen werpen…”. Ik las dat het hier gaat om een interpretatie van lettertekens; het is bekend dat het Hebreeuws alleen medeklinkers weergeeft en de klinkers “ingevuld” moeten worden. Dit kan leiden tot verschil in vertalingen. Hieronder de alternatieve berijming waarin ik kies voor het “schudden van de eiken”.
Huer de HEARE! In nen zoch
skuurt Zinn lùchtege de loch;
vlamn van vuer komt oet Zinn moond
dee t de weuste fiddern doot.
Kadesj fiddert van de druegte;
huer de HEARE, oet de huegte
skudt Hee eekn an waaterstrueme,
ropt de bàste van de bueme.

Aanvankelijk was dit mijn eerste keus omdat ik er niet in slaagde het werpen van jonge hinden op een verantwoorde en zingbare wijze in de psalm in te passen. Een hinde is in het Twents een “hàrtekoo” of (en dit is in discussie) een “hattekoo”. Zie voor “hatte” psalm 42. Maar door de algemene term “dieren” (deers) te gebruiken kon ik tot een aanvaardbare oplossing komen.

Zùns van god.
Godenzonen, is wat er letterlijk in de grondtekst staat. Worden er engelen mee bedoeld (heemelmachen)? Het kunnen ook machthebbers, rechters, leidslieden op aarde zijn die in de Bijbel soms aangeduid worden als goden . Of misschien de afgoden die hier hun plek gewezen worden, god áf zijn?

Kieskes zijn jonge kalveren

Lùchtege is de bliksem(schicht) …in nen zoch skuurt Zinn lùchtege de loch: In een zucht (oogwenk) scheurt Zijn bliksem de lucht (vaneen).