Luisterversie
Toelichting
Om te voorkomen dat psalmen “verzanden” in “meer van hetzelfde”, probeer ik steeds te zoeken naar andere manieren van zeggen. In couplet 2 gebruik ik de term “t minne slag” en dit komt regelrecht uit de Biebel in de Twentse Sproake. Daarmee wordt bedoeld: het minne (slechte) soort (mensen).
In couplet 4: “ofbràkn, noojt vanniejsen bouwn” betekent: afbreken en nooit opnieuw (op)bouwen.
In deze psalm gaat het over de zwijgende God (couplet 1). Ik las ergens dat het probleem niet is dat God zwijgt, maar dat het probleem (vaak) juist is dat wíj zwijgen (psalm 32: Toen ik zweeg….). Vanaf couplet 5 wordt dit zwijgen doorbroken…door het zingen van de lofzang! Nadat eerst het hart is opengelegd voor God, door Hem aan te roepen.