Psalm 36

1.
Huer wat in t hatte, lelk en bleend,
van n goddeloozen ummegeet;
vuur God hef hee gin ooge.
Hee s gruets op wat hee zeg en dut
en dech dàt God et kwoad neet zut.
Hee hef zikzelf slim hooge.
Alns wat hee oetkroamt met zin moond;
de laffe luegns: hee neumt ze good,
ginn zeunde maakt um bange,
den t snachs op berre, daangs op n trad
dech an wat duuster is en zwat;
wat rech is maakt hee krange.
2.
Oew’ trouwe goodhaejd , HEARE, steet
zoo hooge at de heemel geet,
en raakt tot an de wolken.
De boargen Gods, de waatervlood
spràkt van Gods rech; ook dut Hee good
an deers en alle volken.
Et meanskenkeend mag vluchen tot
Gods Hoes, woer t hatte stille wort,
oonder Oew‘ vluegeln, HEARE.
Hee nuegnt oons an Zin moal; Hee is
vuur oons ne bàkke, kloar en fris,
en vreendlek en geneareg.
3.
Iej, oonze Welle, eeweg Lech,
geewt lech en leawn op oonze weg.
Oewn trouw is stoark en zeeker.
Want alln dee t stùedeg op Oe bouwt,
oprech zik an Oe toovetrouwt,
mangt leawn biej brood en beeker.
Iej, woart oons vuur nen vaalsen voot;
loat neet de gruetsen van gemood
oons votjaagn met ùer vuuste.
Want kiek: de woarkers van et kwoad,
zee stroekelt al, zee valt, zee goat
ten oonder in et duuster.

Luisterversie

Toelichting

“Lelk” (couplet 1), ook wel geschreven als “lellek”, betekent “lelijk”

“Alns wat hee oetkroamt met zinn moond…” Bijbels gezegd: de goddelozen baren leugens.

“Den t snachs op berre, daangs op n trad…” (couplet 1); “Die snachts op bed, overdag onderweg, denkt aan wat duister is en zwart…”

Wat rech is maakt hee krange…” Wat recht is keert hij om (verkeert hij in het tegendeel).

Ik “speel” in deze psalm zo nu en dan met woorden, begrippen. Couplet 3 begint met licht, maar eindigt met duisternis – voor Gods tegenstanders! En juist zij, die op “berre” en “op n trad” duistere en zwarte dingen bedenken zullen tenslotte ook eindigen in duisternis.

Wat me opvalt is dat alle (door mij geraadpleegde) berijmingen 3 coupletten nodig hebben om deze psalm vorm te geven. Ook de NPB, die compactheid toch wel als kenmerk heeft. Het was voor mij ook een puzzel om het bij 3 coupletten te houden, terwijl ik doorgaans met minder coupletten per psalm toe kan (vergeleken met de berijming van 1773). Een voorbeeld van die compactheid is te vinden in het tweede couplet (“De boargen Gods, de waatervlood / spràkt van Gods rech…”). Maar ook andere gedeeltes uit de onberijmde psalm dwongen mij tot, wat ik maar noemen zal, creatieve ingrepen. Na de ruwe vorm neergezet hebben moest er heel wat gepolijst en bijgeschaafd worden. Soms wordt een psalm direct al goed neergezet, met naderhand nog wat kleine aanpassingen, maar deze psalm vormde voor mij een forse uitdaging. “En zoo geet dàt mangs…”