Psalm 34

1.
Ik prieze aalt minn God.
Vanoet minn binnste, met minn moond
zing ik: De HEARE! Hee is good!
Um pries ik ieder bod.
Deemeudeg volk in nood:
huer toch met bliejskop noar minn zaank.
Kom, breng met miej Zinn Naam de daank;
viej maakt de HEARE groot!
2.
Ik reup’ de HEARE an.
Hee huern, ook gaf Hee miej beskeed.
Hee treuk miej vot oet al t vedreet,
biej al et kwoad vandan.
En alln dee’t zeukt noar vrea
goat oonder t volle heemels lech
met vùlle wille in Gods weg;
doar zal ginn skaamrood wean.
3.
De HEARE huern t gebed
van dissen keal vanoet et stof;
zin skreewn klum op noar t heemels Hof
en Hee hef um ered.
Weet dàt de HEARE waakt!
De Engel van de HEARE steet
umm t volk dàt op Zinn weage geet.
Hee hef ze vriej emaakt.
4.
Zeet toch en oonderveent:
God truest wee’t biej Um rùssen mag.
t Geet good met alln dee’t vol oontzag
de HEARE neareg deent.
De riekdom raakt in nood
zoo’s jonge leewn, umzeuns op jach.
Mer wee God zeukt kriegnt nieje krach
en alle daage brood.
5.
Kom, luster noar minn road
iej, keender; k wil oe gearne learn
umm vol oontzag oewn God te earn.
Hee gef oe oawerdoad.
Wi-j wonn in stille vrea?
Dan mu-j met leegn en racheln bràkn
en met oew’ lippn de woarhaejd spràkn
en aaltied ealke wean.
6.
Goat vot biej al et kwoad
en zeuk de vrea, joa zeuk vedan.
Gods ooge zut op alleman
Dee’t rechte weage goat.
De HEARE huert ùer skreewn,
et bange skreewn. De HEARE zut
et minne slag dàt lellek dut
en zal ze ofjach geewn.
7.
Zee skreewt tot God en voort
gaf Hee op al ùer mùejte ach.
Hee hef an t bange volk edach
en redn ùer oet de nood.
De HEARE is kortbiej.
Veult t hatte mangs verrinneweerd,
et zeeleleawn aansumm’ ekeerd?
De HEARE maakt alns niej!
8.
Et leawn is vaake zwoar.
Oprechte leu weet doar wal van!
At t meanske neet mear helpen kan,
dan is de HEARE doar.
Hee steet miln in t geweeld
en wee’t Zinn wichter an weelt raakn;
gin bot zal bràkn, want Hee zal waakn,
ùer butte zeent eteeld!
9.
Al t kwoade vrùg umm straf.
De haaters neumt et kromme rech;
zee valt, zee stroekelt op de weg
en greawt ùer eegne graf.
Zeukt Um toch dag en nach.
De zeele van wee’t tot Um geet
en biej de HEARE n henkomn veent
hef Hee tot rùst’ ebrach.

Luisterversie

Toelichting

Het bijschrift boven deze psalm vermeldt: Een psalm van David; toen hij zijn gezicht had vertrokken bij Abimelech, die hem verdreef, zodat hij ervandoor ging ( 1 Samuël 21:13 enz.).

De naam Abimelech roept vragen op; het betrof nl. Achis, de koning van Gath. Naar hem was David toe gevlucht aangezien Saul hem achtervolgde. Hij werd echter herkend als degene die Goliath de reus had gedood, werd gegrepen en gedroeg zich vervolgens als een waanzinnige, waarop men hem liet gaan…
Het is verleidelijk om vanuit een riante positie met de vinger te zwaaien… Hoe kon David dit doen! Hij had op zijn God moeten vertrouwen, in plaats van op eigen houtje door middel van een verfoeilijke krijgslist de dans proberen te ontspringen. Merkwaardig genoeg lees je in de geschiedenis zelf, maar ook in deze psalm, niets van zelfverwijt of berouw over deze daad. Geen woord. Ergens las ik in een commentaar dat de ruwe werkelijkheid van het bestaan ons kan brengen tot daden die mogelijk niet correct zijn, maar ook niet ontweken kunnen worden, vooral wanneer je in een “split – second” beslissingen moet nemen. Het doet me denken aan een uitspraak van een militair die gevochten had in meerdere oorlogen: “Vaak is het niet de keuze tussen goed en kwaad die je moet maken; maar al te vaak is het een keuze maken tussen wat kwaad is en wat nog kwader is…” Wie nog nooit een dergelijke situatie meegemaakt heeft kan dus maar beter zwijgen. In ieder geval geeft zo’n psalm weer stof tot nadenken. Onze zeer correcte gereformeerde denkwijzen worden meer dan eens bars doorbroken en dat is juist de weldadige spanning van de psalmen…

Couplet 4 “…umzeuns…”
“…jonge leewn, umzeuns op jach…” betekent: … jonge leeuwen, tevergeefs op jacht…” Ik heb hier twee vertaalmogelijkheden samengevoegd: de jonge leeuwen (zie o.a. de (H)SV) worden in andere vertalingen ook wel aangeduid als rijken (de riekdom) die zullen verkommeren, zoals jonge (verscheurende) leeuwen die op jacht gaan, maar geen buit vinden.

Couplet 5: “…dan mu-j met leegn en racheln bràkn…” “…Dan moet je met liegen en kwaadspreken breken…”

Couplet 8: “…butte…” moet hier gelezen worden als: beenderen (Hun beenderen zijn geteld).